Fier prijkt midden in de grote zaal de oude Vischpoort van Suze Robertson! Die ruig geschilderde witte muur met zijn roestige oude zwarte ramen, zijn zwarte houten trap met een zwart, het wit-in-grijpende doorgang naar de zee. Fier als een imposant monument tegen de felblauwe lucht aan. Oud is daarbinnen het stadje. De schilderes voelde dat oude tragisch aan. De kleine, lage vissershuisjes werden oude, sombere woningen, als uit een lang verleden verschenen vóór haar versomberden geest. De nette straatstenen van het zindelijke Gelderse Zuiderzee stadje werden tot donkere hobbelige keien, waar een oud wijfje, stuntelig gebogen, haar schuifelende schreden naar den poortdoorgang wendt, achter welke de zeewering zonnig, felgeel zichtbaar is.
Een schok geeft dit grootste werk onzer kunstenares, dat zij met bruisenden hartstocht over ruigen ondergrond heen schilderde, zodat al de oneffenheden, door de woest dooreen geborstelde dikke, donkere verf ontstaan, door de bovenste verflaag heen komen, en hieraan een zeldzaam levende werking geven, op een wijze, zoals wij dat bij haar andere doeken niet vinden.
Mede hierdoor heeft deze poort iets triomfantelijks; de oude, sombere ruige visie werd tot een pralende pracht, tot majesteitelijke grootheid. Een schok geeft dit werk den binnenkomende die met weemoed denkt aan de droefheid, over den laatste levenstijd dezer zóó hoog begaafde heen gevallen; dit tragische eind van een zóó levens bruisend kunstenaarsbestaan.
