‘Een paar appelen, wat uien en eenige kastanjes, schijnbaar plompverloren op een tafel bijeengelegd. Maar deze simpele, armelijke stof, gezien als een kleurvisioen, waarvan de wondere schoonheid diep in de kunstenares moet zijn doorgedrongen, om in haar ziel een zóó sterke bewogenheid te wekken. Want dit is wel het geheimzinnige van zulk een nature-morte, dat er van alle kanten leven uitbruist. Het is tegen den diepen achtergrond een gloeiing van kleuren, in het glanzend rood der appelen en het geel en bruin der uien, die het opgeslorpte licht doen vonkelen als zilver- en goudbrokaat.’
