Het grote stilleven uit circa 1892 van Suze Robertson, dat om een ijdele twist niet in het Boymans Museum kwam, is zeker van de vier genoemde dat wat de eigenschappen: grootheid en levensadem het meest, ik zeg niet het diepzinnigst bezit. De voorstelling: op een wit vlak liggen komkommer en citroen, staan tinnen schotel en glazen inmaakflesch, in den schotel blaeren naast deze stelen als van rhabarber. De opmerking ware te maken dat het lichaam van den komkommer niet voldoende is uitgedrukt als stof (misschien om de vrucht in het gansche te vervloeien laten) en dat de zeer duistere achtergrond ietwat-hoe weinig!-beweeglijker kon wezen-maar niettegenstaande deze kleine bezwaren is dit schilderij het beste, mij bekende, werk dezer dikwijls rauwe schilderes - tevens is het inderdaad een uiting die in latere tijd (wanneer de schifting zal beginnen) niet zal hooren tot wie verwijderd worden-maar tot die blijven. Het heele geval op de tafel toch is verslonden in een fijne grijsheid, de macht ter schilderes (dikwijls anders een wildheid) had hier het vermogen om naast de meer dan gewoonlijk genuanceerde kleur, ook de vorm groot gehouden, toch verzorgd te doen zijn. Het heeft den adem die alle werk van kunst een nimmer falend merk is.
